We staan aan de vooravond van een fundamentele transformatie in de gezondheidszorg. Technologie – en artificiële intelligentie in het bijzonder – is niet langer toekomstmuziek. Ze is er. En ze heeft het potentieel om onze zorg efficiënter en preventiever te maken, zonder het warme menselijke aspect uit het oog te verliezen.
Vandaag blijven we te vaak hangen in “sick care” – de zorg die pas in actie komt wanneer het lichaam of de geest het laat afweten. Technologie kan helpen om die omslag te maken naar échte “health care”: zorg die mensen ondersteunt om gezond te blijven, die afwijkingen vroeg detecteert en interventies op maat mogelijk maakt.
Van datastromen naar inzicht
Artificiële intelligentie leert ons kijken zoals we nooit eerder konden. Een AI-systeem als Sybil kan op basis van CT-scans voorspellen of iemand een verhoogd risico heeft op longkanker – vaak nog vóór een arts afwijkingen zou zien. Aan UZ Leuven spoort een algoritme op basis van 24.000 netvliesbeelden glaucoom op met indrukwekkende precisie. In Nederland (RadboudUMC) herkent een AI-model zeldzame ontwikkelingsstoornissen bij kinderen aan de hand van gezichtskenmerken, en doet dit beter dan vele traditionele screeningsmethoden.
Dit soort voorspellende en ‘early detection’ technologieën toont ons dat preventie niet alleen gaat over campagnes rond gezonde voeding of beweging, maar ook over slim gebruik van data. Slim, gepersonaliseerd, continu en niet-invasief.
Preventie begint thuis
Technologie maakt ook een beweging mogelijk van ziekenhuis naar huiskamer. Denk aan apps zoals Fibricheck, waarmee mensen zelf voorkamerfibrillatie kunnen meten via hun smartphone. Of de Mindstretch-app, die op basis van hartslag en activiteit mentale uitputting detecteert – een digitale bondgenoot tegen burn-out. Dit zijn geen gadgets, maar krachtige tools die mensen de regie over hun eigen gezondheid geven, en zorgverleners helpen om tijdig in te grijpen.
Ook in woonzorgcentra groeit het belang van slimme monitoring. Sensoren kunnen afwijkingen in slaappatroon of mobiliteit detecteren, bijvoorbeeld wanneer een bewoner plots zes keer per nacht opstaat in plaats van twee. Zulke signalen kunnen wijzen op een sluimerend gezondheidsprobleem, nog voor het klinisch zichtbaar wordt.
We moeten rekening houden met het feit dat hoe sneller, gevoeliger en hoe meer men dingen in kaart brengt, hoe meer kans op valse positieven. De vraag over hoe de kans op onnodige ongerustheid en vals alarm te vermijden dient gesteld te worden.
Zorgtechnologie is méér dan AI
Technologie in de zorg wordt vaak geassocieerd met spectaculaire toepassingen – algoritmes, robots, wearables – maar ze kan ook juist in het alledaagse een verschil maken. Denk aan slimme dossiersystemen die automatisch rapporten genereren, apps die afspraken coördineren of software die medicatie-interacties signaleert. Zulke tools nemen administratieve ballast weg en geven zorgprofessionals meer tijd voor wat echt telt: menselijke zorg.
In een context van personeelstekort is dat geen detail. Wanneer technologie routinetaken automatiseert of papierwerk vermindert, wordt ze een stille kracht achter betere zorg. Dat soort toepassingen hoeft niet complex of duur te zijn. Het is vaak technologie “met kleine t”, maar met grote impact.
De mens blijft essentieel
Toch moeten we waakzaam blijven. Technologie mag de zorg ondersteunen, maar nooit overnemen. De arts, verpleegkundige of psycholoog blijft degene die betekenis geeft aan data. En precies daar zit de kracht van “enhanced intelligence”: technologie en mens die elkaar versterken.
Maar dan moet de technologie wél goed ontworpen zijn. AI-modellen leren op basis van bestaande data. Als die data eenzijdig zijn – bijvoorbeeld vooral van mannelijke, witte patiënten – dan dreigt bias. Dan werkt het systeem niet voor iedereen. En dan wordt ongelijkheid ingebouwd in de algoritmes zelf.
We moeten ons dus de vraag stellen: Voor wie werkt deze technologie? Wie blijft buiten beeld? Wie beslist welke data belangrijk zijn? En: Wie krijgt toegang tot de inzichten die AI genereert?
Digitale geletterdheid en inclusie
Ook digitale geletterdheid is cruciaal. Een app die burn-out signaleert, heeft weinig nut als mensen de app niet begrijpen, vertrouwen of kunnen gebruiken. Zorgprofessionals hebben tijd en opleiding nodig om nieuwe technologieën te integreren in hun praktijk. En voor patiënten moeten we blijven investeren in begrijpelijke, inclusieve en toegankelijke oplossingen.
Een veelbelovend algoritme dat mentale problemen voorspelt bij studenten toont dat AI ook buiten de klassieke zorginstellingen kan werken. Maar net daar – in scholen, wijken, bedrijven – moeten we ervoor zorgen dat technologie de sociale ongelijkheid niet vergroot, maar helpt om ze te verkleinen.
Een gedeelde opdracht
De toekomst van de zorg is digitaal – maar ook ethisch, menselijk en rechtvaardig. We mogen het potentieel van technologie om gezondheid en preventie te versterken niet onderschatten. Tegelijk mogen we ons enthousiasme niet blind maken voor de uitdagingen: bias, privacy, transparantie, educatie en reglementering. Er is empirisch onderzoek nodig om de mogelijke problemen in kaart te brengen die nieuwe technologie onbedoeld en ongewild zal veroorzaken.
De technologie is klaar. Maar zijn wij dat ook?
Als ambassadeurs van zorgvernieuwing dragen wij de verantwoordelijkheid om het debat breed te voeren. Niet enkel binnen de muren van ziekenhuizen of onderzoeksinstellingen, maar in de samenleving als geheel. Want alleen als we samen bouwen aan een inclusieve, ethisch verantwoorde zorg ondersteund door technologie, maken we de shift van “sick care” naar échte gezondheid.